Miles

Ook nu nog voel ik mij een modern mens wanneer ik Miles Davis hoor blazen door zijn trompet, begeleid door het arrangement er om heen. Is het ‘Ascenseur pour l’Échafaud’, ‘Kind of Blue’ of ‘Tutu’. Het maakt niet uit wanneer het opgenomen is, het besef van existentialisme en de nihile snelheid van het bestaan verbeeldt mij tot een modern wezen.

Miles DavisIk ga er altijd prat op dat ik Miles Davis de hand heb mogen schudden. Het moet in 1982 zijn geweest in het Concertgebouw van Amsterdam. Hij was op tournee voor zijn nieuwe album ‘The man with the horn’.

Een vriendin van mij had één van de bandleden versiert. De bassist geloof ik; het was niet Marcus Miller. En zij had 4 vrij kaartje gekregen. Dus konden wij deze meester zien schitteren. Maar in die tijd was hij verslaafd aan de heroine en optreden deed hij niet graag. Hij stond meer dan de helft van de tijd met zijn rug naar het publiek. Toch bleef zijn geluid weergaloos.

Na afloop werd ik aan hem voorgesteld en mocht ik de hand met de magische vingers aanraken. Ik was waarschijnlijk de zoveelste hand, gezicht, die hij zich nooit meer zal herinneren. Maar op mij had hij indruk gemaakt. Ik draaide ‘Sketches of Spain’ in die tijd grijs en had er ook een rauw filmverhaal op bedacht welk deels geënd was op Romeo en Julia. Maar ‘Ascenseur pour l’Échafaud’ was ook verbeeldend. Ik voelde Parijs eind jaren 50, Jeanne Moreau, het existentialistische bestaan van Jean Paul Sartre.

Maar ‘The man of the Horn’ deed mij verder kijken in het werk van Miles Davis en vooral de experimentele Jazz eind jaren zestig en jaren zeventig, trok mij aan. Nog steeds kunnen veel mensen hier niet naar luisteren; maar je voelde zijn zoektocht door de oneindige klanken. En ik wist dat met ‘The man of the Horn’ en later ‘Tutu’ hij deze muziek toegankelijk maakte voor een grotere publiek.

Er is maar één Miles en die hoor je van ver. Niemand speelt zoals hij. Hij behoort tot de goden.